Paardentrams in Nederland

Algemeen

Wanneer paardentrams

In Nederland is er in diverse plaatsen een paardentramlijn geweest. Zowel in de grote steden als op het platteland. De eerste paardentram kwam in ons land in xxxx TODO. Al snel steeg het aantal kilomters spoor; de top lag ongeveer rond het jaar 1900. Daarna ging het snel bergafwaars, een gevolg van het vervangen van de paardentrams (met name in de grote steden) door elektrische trams. Rond 1917 zien we weer een grote afname, dit keer een gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Het voer voor de paarden werd te duur, zodat vele paardentrammaatschappijen ermee stopten.

Na de Eerste Wereldoolog bleven er nog wel enkele tramlijnen over, die stug volhielden. Bij enkele van deze werden pogingen gedaan tot modernisering, bijoorbeeld het vervangen van het paard door een tractor, vrachtwagen of kleine autobus. De paardentramwagen bleef daarbij nog op de rails rijden. Maar in de loop van de twintiger jaren van de 19e eeuw kwam het busvervoer op. Als gevolg van concurrentie door anderen, maar ook vervanging van de paardentramlijn door een eigen busje, werden de laatste paardentram tussen Makkum en Harkezijl in Friesland in 1930 toch ook uiteindelijk opgeheven.

[ naar boven ]

Waarom een paardentram

Paardentrams kwamen er in Nederland te rijden vanaf xxxx TODO, zowel in de steden, maar ook op het platteland. In de steden werd gekozen voor een paardentram in plaats van een stoomtram omdat er bij een paardentram geen overlast was van de rook en stoom die een stoomtram nou eenmaal geeft. Op het platteland was er daarnaast ook het argument, dat de aanleg van een paardentram nou eenmaal goedkoper was dan de aanleg van een stoomtram. De rails kunnen lichter zijn, er is geen dure remise en werkplaats nodig, en paarden waren, zeker in die tijd, goedkoper dan een de aanschaf van een stoomlocomotief.

[ naar boven ]

Verschillende soorten

We kunnen verschillende soorten paardentram onderkennen. Zo zien we de specifieke stadstram die voorziet in vervoer binnen een (meestal wat grotere) stad. Aan de andere kant zien we de plattelandslijnen. Daar waar een verbinding per trein niet haalbaar was, was de goedkope exploitatie met een paardentram soms wel haalbaar. We zien ook diverse lijnen die een verbinding verzorgden van een plaats met een station dat soms enkele kilometers vanaf die plaats was gelegen. Verder kunnen we nog onderscheiden de paardentrams die als aanvulling op de stoomtram reden. Soms zelfs over dezelfde lijn als waar ook een stoomtram reed, soms als aanvulling in de vorm van een kort zijlijntje dat aansluiting gaf op een langere stoomtramlijn.

[ naar boven ]

Goederenvervoer

Bij vrijwel alle paardentrams was het begrip goederenvervoer onbekend. Dat is eigenlijk ook wel logisch. Het aankoppelen van een extra goederenwagen zou wellicht technisch nog wel mogelijk zijn geweest, maar bij de kracht die een paard kan leveren wordt het totale gewicht dat het dier moet voortbewegen al snel te groot.

Het rijden van een aparte goederentram zou dan een alternatief kunnen zijn. Maar de vervoersvraag naar goederenvervoer was over het algemeen dusdanig klein, dat (uitzonderingen daargelaten) aparte goederen vrijwel niet voorkwamen.

Kleine pakjes, koffers en soms ook fietsen werden nog weleens vervoerd. Daar werd dan een plekje op het achterbalkon ingeruimd of het pakje werd gewoon in de ruimte voor passagiers neergezet. Maar meer dan het vervoer van een pakje of koffer kwam bij de paardentram eigenlijk niet voor.

[ naar boven ]

Opheffing

Rond de eeuwwisseling werden veel paardentrams in de steden vervangen door een elektrische tram. Die had een grotere capaciteit en kon zonder problemen grotere afstanden afleggen. Ook was er bij een elektrische tram geen last van de uitwerpselen van de paarden. Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog verdwenen veel paardentramlijnen, ook van het platteland. De kosten voor hooi en paarden steeg zeer sterk, zodat een lonende exploitatie vaak niet (meer) mogelijk was. Diverse paardentramlijnen zijn in die tijd vervangen door een andere tram (stoom, elektrisch, motorisch) of zijn gewoon opgeheven. Een enkele paardentram hield het nog een tiental jaren vol, maar na 1930 was met het opheffen van de lijn Makkum-Harkezijl de paardentram in zijn geheel uit Nederland verdwenen.

[ naar boven ]

Poging tot modernisering

Bij diverse lijnen zijn pogingen ondernomen om de exploitatie te moderniseren. Soms betekende dat ombouw naar electrische tram, maar soms werden er ook andere middelen gezocht. Bij diverse paardentramlijnen was er sprake van modernisering met een vrachtauto of autobus, die voor het tramrijtuig werd geplaatst. Zo'n exploitatievorm had als extra voordeel, dat het mogelijk was om bij het eindpunt met alleen het motorisch gedeelte als autobus verder te rijden. Een voorbeeld hiervan was de lijn van Vreeswijk naar Utrecht die niet heel dicht bij het station kwam. Het tramrijtuig werd dan op het eindpunt achtergelaten, en het motorvoertuig reed dan alleen door naar het station.

[ naar boven ]

Aantal paarden

Het aantal paarden oversteeg in het algemeen ver het aantal tramrijtuigen. Bij een klein trambedrijf waren enkele rijtuigen meestal voldoende. Met één of twee van die rijtuigen kon gemakkelijk de hele dag heen en weer worden gereden. Maar een paard moest na één of twee retourritten vaak uitrusten, en er moest dan een ander, vers paard voor het tramrijtuig worden geplaatst.

De meeste trams reden met één paard voor het tramrijtuig. Alleen in die gevallen waar een extra groot tramrijtuig moest worden voortgetrokken werden soms twee paarden naast elkaar voor de tram geplaatst.

[ naar boven ]

Riedelbel

Wie kent de uitdrukking niet: "een riedeltje zingen". Maar wist u, dat dit spraakgebruik afkomstig is uit de wereld van de paardentram? Wat is het geval? De koetsier (zo heet de wagenvoerder van een paardentram) had handen te kort. Met één hand moesten de teugels van het paard worden vastgehouden om dat paard te mennen. Met de tweede hand werd de handrem vastgehouden die moest worden rondgedraaid op het moment dat er geremd moest worden. En met de derde hand moest de koetsier andere weggebruikers attent maken op de aanwezigheid van de tram; daartoe hing er bij de eerste paardentrams een bel aan het dak van het koetswerk waarvan de klepel met de hand moest worden bediend.

Maar zoals u weet beschikten de meeste koetsiers niet over drie armen. En juist in die situaties dat het gevaarlijk werd waren drie armen nodig. De teugels van het paard moesten worden aangetrokken zodat het paard ophield met trekken, de rem moest worden bediend om vaart te verminderen, en er moest worden gebeld om de gevaarsoorzaak te waarschuwen. Met twee handen gaat dat wat moeilijk.

Een Duitser met de naam Riedel had voor dit probleem een goede oplossing. De bel aan het afdak werd vervangen door een bel, die was bevestigd aan de remhandel. Door het handvat vertikaal te bewegen werd ervoor gezorgd dat de bel ging klinken. Daarmee kon de koetsier toch met twee handen drie activiteiten voortbrengen. In ons spraakgebruik is deze paardentrambel nog steeds terug te vinden als een riedeltje zingen.

[ naar boven ]