Fransiscanessen in Bodegraven

(een eeuw goede werken)

Huisvesting

Meisjes die in het pensionaat verbleven werden "pensionairen" genoemd. De manier waarop zij waren gehuisvest was anders dan tegenwoordig. Er waren twee slaapzalen, één voor de oudste meisjes die het voortgezet onderwijs bezochten, en één voor de meisjes die op de lagere school zaten.

De slaapzaal was onderverdeeld in zogenaamde "chambrettes" Dat is een ruimte, door een gordijn afgesloten van de rest van de slaapzaal. In zo'n chambrette stond een bed, een kastje voor persoonlijke eigendomen en een stoel. Verer was er een lampetkan om je te wassen.

Op de slaapzaal waren ook twee zusters aanwezig om de orde te handhaven. In latere jaren kwamen er ook eigen slaapkamers voor de oudere meisjes, zodat zij wat meer privacy konden hebben.

Herkomst van de kinderen

Het pensionaat in Bodegraven was opgezet voor meisjes. Er verbleven dus geen jongens in het pensionaat in dit dorp. In eerste instantie waren er de schipperskinderen. Dat zijn kinderen waarvan de ouders op een (binnenvaart)schip voeren en die dus vanaf de lagere schoolleeftijd voor langere tijd in het internaat verbleven. Soms mochten zji een weekend naar hun ouders, maar dat was lang niet ieder weekend het geval. Vaak konden zij maar één keer per maand naar hun ouders. Tijdens de zomervakantie verbleven deze kinderen vaak wél bij hun ouders op het schip.

Naast schipperskinderen waren er, vooral in de latere jaren, ook zogenaamde "stadskinderen". Dat zijn kinderen waarvan de ouders in een normaal huis ergens in de stad woonden (b.v. Haarlem, Amsterdam, Rotterdam). Omdat de ouders het beter vonden als de kinderen een opvoeding kregen bij de zusters kwamen deze kinderen in het pensionaat. Deze kinderen konden in de weekenden vaker dan de schipperskinderen naar huis.

(klik op de links in het verhaal om meer detail daarover te zien)

De Tweede Wereldoorlog

Problemen in de oorlog

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak ging dat in eerste instantie nog wat voorbij aan Bodegraven. Er werd niet echt gevochten. Maar niet ver weg, in Rotterdam, was de vernieling enorm. Een grote stroom vluchtelingen uit Rotterdam kwam langs. In het pensionaat, dat toch al was ingesteld op de verzorging van kinderen, werden in de eerste oorlogsdagen vele kinderen uit Rotterdam ondergebracht om op adem te komen.

Ook in Bodegraven waren er NSB'ers onder de bevolking. Dat betekende dat je voorzichtig moest zijn. Een negatieve uitlating over de Duitsers of sympatiserende NSB kon erg vervelend uitpakken. Zuster Magdalena Leliveld moest dit een keer ervaren. Tijdens de geschiedenisles vertelde ze over gevaarlijke stromingen. Uiteraard zonder de NSB bij name te noemen. Plotseling sprong er een leerling op en riep door de klas:

"Zuster, hou op. Als ik dit tegen mijn vader vertel, dan ben je erbij; en je zou niet de eerste zijn".

Gelukkig waren gevallen zoals met deze leerling uitzondering.

In de latere jaren van de oorlog werd de situatie moeilijker. In 1942 werd de school gevorderd door Duitse militairen. Lesgeven moest vanaf toen in het pensionaat. Er was te weinig ruimte. Daarom kreeg de helft van de kinderen 's morgens les, en de andere helft 's middags. Maar in die vrije tijd kattekwaad uithalen was er niet bij voor de kinderen. De zusters zorgden wel voor zoveel huiswerk, dat ze de vrije tijd hard nodig hadden voor de studie.

Na de oorlog

Na de oorlog herstelde de situatie zich snel. Er was weer meer voedsel, en er kwamen snel weer meer kinderen in het pensionaat. Er kwamen ook weer wisselingen bij de zusters. De Bodegraafse zuster Leliveld werd overgeplaatst naar het moederhuis in Aerdenhout. Andere zusters gaven zich vrijwillig op om naar de missie te gaan. Na een uitgebreide voorbereidingsperiode verhuisden twee zusters naar Sumatra.

De huisvesting van de pensionairen veranderde ook. Tot de jaren '50 was het gebruikelijk dat de meisjes samen op een slaapzaal sliepen, waar ieder haar eigen chambrette had; een door een gordijn afgesloten eigen ruimte. Maar dat werd toch gaandweg steeds meer als een verouderde vorm van huisvesting gezien. Op een gedeelte van het pensionaat werd daarom een aantal slaapkamers ingericht, zodat het voor de oudere meisjes mogelijk werd om meer privacy te krijgen.

Het einde nadert

Tijden veranderen. Het gebouw veranderde echter niet zo gemakkelijk mee. Om het gebouw aan te passen aan de eisen van de tijd zou veel geld nodig zijn.

Ook de herkomst van de kinderen veranderde. In eerste instantie was het pensionaat opgezet voor schipperskinderen. Er was inmiddels ook een aantal "stadskinderen" bijgekomen. Maar dat was eigenlijk niet de opzet van de zusters. Verder liep ook het aantal meisjes dat in een klooster wilde intreden terug. Een tekort aan zusters zou natuurlijk op den duur ook problemen gaan geven.

In 1968 werd uiteindelijk het besluit genomen dat het pensionaat zou worden opgeheven. Zo'n opheffing moest natuurlijk geleidelijk gebeuren. Er werden geen nieuwe kinderen meer aangenomen. Ook bij de zusters kwam er een geleidelijk verloop. Als er een zuster wegging naar een andere vestiging van de Franciscanessen, dan werd haar plaats op school opgevuld door een leke-lerares.

In 1969 kwam er nog een andere verandering. Niet alleen in Bodegraven, maar in heel Nederland. Door het moederhuis werd toestemming gegeven aan de zusters om in "burgerkleding" te gaan leven. De zusters hoefden dus niet langer het habijt van de Franciscanessen te dragen.

In 1970 kwma dan toch het einde van het zusterhuis en pensionaat. De gebouwen werden de eerste jaren daarna nog gebruikt voor huisvesting van buitenlandse gastarbeiders. Eerst mensen uit Jogoslavië en later mensen uit Marokko.

In 1978 werd het gebouw gesloopt. Inmiddels had de gemeente nieuwbouwplannen, en zijn er op het terrein 45 appartementen gebouwd. Op 6 mei 1968 besloot de Bodegraafse gemeenteraad om de nieuwe straat die daarbij ontstond de naam "Franciscushof" te geven.