Persoonlijke website van
Wim Kusee

(onderdeel : Bodegraven, kaasdorp aan de Rijn)

Verhalen

Er zijn diverse leuke verhalen over Bodegraven in omloop.
Hieronder leest u er enkele:

Een spook in het tolhuis

Wie over de weg van Bodegraven naar Gouda rijdt, die komt net buiten het dorp over een brug waar een naambordje aanhangt. Op dat bordje staat de naam "Spokersbrug". Waar komt deze naam toch vandaan?

Ongeveer een eeuw geleden was de situatie ter plaatse heel anders. De weg was smaller, het water was veel belangrijker als transportweg. Dat gold ook voor het water langs de Oud-Bodegraafseweg. En dus moest de brug in de Goudsestraatweg over het riviertje de Oude Bodegrave beweegbaar zijn. Bij de brug woonde een echte brugwachter. En over deze brugwachter gaat het verhaal. Deze man schijnt een wat zonderling figuur geweest te zijn, nogal op zichzelf. Hij woonde er alleen in zijn brugwachtershuisje. Toen deze man overleed, moest zijn lichaam uiteraard worden begraven, iets dat voor armlastige mensen meestal gebeurde door de weeshuismeesters uit het dorp. En dus trokken deze weeshuismeesters erop uit zodra het bericht van zijn overlijden bekend werd. Maar het was winter. En niet zomaar een winter, maar een hele strenge, met veel sneeuw, ijs, kou en alles wat daarbij hoort. De weeshuismeesters trokken met de wagen waarop de lijkkist moest worden gezet naar buiten het dorp.

Maar ze waren wat later dan gepland, en dus werd het al donker. Het ophalen van het lichaam was geen pretje. Want vergeet niet, dat er langs de weg nog geen straatverlichting was, en dat het dus een hele onderneming was, zo midden in de winter. De jongens van het weeshuis hadden echter ook een plannetje. Ze waren hun weeshuismeesters nt voor; zij hadden minder moeite om bij het verafgelegen brugwachtershuisje te komen. Welke grap zij daar precies hebben uitgehaald, dat is niet bekend. Maar dat ze iets met het door de vorst stijfgeworden lichaam hebben gedaan, dat is zeker. Nadat de weeshuismeesters in het huisje naar binnen waren gegaan, bibberend van de kou, met door de angst knikkende knien, kwamen ze al heel snel weer naar buiten. Wat ze precies hebben gezien, dat beschrijft de geschiedenis niet, maar ze waren er allen van overtuigd, dat ze spoken hadden gezien. De terugtocht, zonder lijk, was in werkelijkheid heel wat sneller dan de weeshuismeesters zelf hebben ervaren.

De volgende dag, toen het licht was is het lijk alsnog opgehaald. Maar van de plaats rondom het bruggetje werd vanaf die dag verteld dat het er spookte. Bij het aanleggen van de nieuwe brug in 1936 is aan deze brug de naam Spokersbrug gegeven.

[ naar de bovenkant van de pagina ]

Een paard in de boerderij

Over de hoeve Paardenburg doet nog een legende de ronde, die ik u niet wil onthouden

Op een zekere dag, al lang geleden, overleed de vrouw van de boer. Omdat het in die tijd niet goed mogelijk was om het stoffelijk overschot lang te bewaren, werd de vrouw dus al de volgende dag begraven. Een kostbare ring, die uit een erfenis kwam, werd op die manier met de vrouw meebegraven in het graf. Zoals gebruikelijk werd de vrouw begraven in de kerk.

De koster van de kerk (die uiteraard bij de begrafenis was betrokken) wist van deze ring af, en wist wel wat hij ermee aan moest. De nacht na de begrafenis ging hij stiekum naar de kerk, en begon te graven. Hij was nog maar net bezig, toen hij geklop hoorde. Hij schrok natuurlijk ontzettend, gooide zijn spa weg, en zette het op een lopen.

Na een paar borrels voor de schrik gedronken te hebben, ging hij snel naar de weduwnaar op de hoeve Paardenburg toe, en hij vertelde hem zijn verhaal. De boer lachte hem vierkant uit, en zei "Nog eerder zullen de paarden uit de stal de trap opklimmen, dan dat ik je verhaal geloof". Maar, nog amper was de boer uitgesproken, of daar kwamen inderdaad twee paarden de trap op klimmen.

Of dit verhaal aanleiding gaf om te gaan kijken of de vrouw nog in leven was, dat vermeld de geschiedenis niet. Het is immers maar een legende....

[ naar de bovenkant van de pagina ]

Trage ambtelijke molens

In Bodegraven is er een straat met de naam "Nassaustraat". Weinig mensen weten maar, dat het heel lang heeft geduurd, voordat deze straat officieel een naam kreeg.

De straat is aangelegd in een groter verband. Een aannemer, Eshuis, nam in het begin van de twintigste eeuw op zich om enkele straten aan te leggen, huizen te bouwen, riolering aan te leggen, kortom het bouwen van een hele wijk. Een soort projectontwikkelaar dus, en dat rond de eeuwwisseling van 1900. De huizen in de straat die we nu Nassaustraat noemen kwamen rond 1905 gereed. De straat zelf kwam er al 'kort' daarna; in 1908 werd het modderpad bestraat. Blijkbaar ontging het de gemeente, dat die straat ook een naam nodig had. In het dagelijks leven werd er wel gesproken vande "Verlengde Willemstraat" omdat de straat inderdaad in het verlengde van de Willemstraat ligt. Maar deze naam was niet officieel.

In 1925 was er dan toch een raadslid (Hortensius) die het nodig achtte er tijdens de rondvraag in de gemeenteraadsvergaderin geen vraag over te stellen. Hij vraagt dan "waarom heeft die uitloper westelijk van de Willemstraat nog geen eigen naam?" Het college van B&W werd uiteraard door deze vraag overvallen en beloofde plechtig erop terug te zullen komen. Maar ja, dan zijn er belangrijker zaken in Bodegraven. Allerlei kwesties rondom de Nieuwe Markt zijn dan zo belangrijk dat er zelfs een wethouderszetel sneuvelt en de Nassaustraat wordt weer helemaal vergeten.

Tijdens de tweede wereldoorlog komt de naam Nassaustraat dan tijdelijk voor, als aan de Wilhelminastraat in Bodegraven een andere naam gegeven moet worden. Het is dan pas in 1948 als deze naam echt door het gemeentebestuur aan de huidige Nassaustraat wordt toegekend.

Of men zich in 1948 nog herinnerde dat B&W op de in 1925 gestelde vraag over een in 1905 aangelegde straat zou terugkomen, dat laten we maar in het midden. Spreken we hier nu van trage ambtelijke besluitvorming?

[ naar de bovenkant van de pagina ]

Een geesteszieke drijft de herbergier tot wanhoop

Op de hoek van de brugstraat en de Oude Rijn staat een deftig huis. Tegenwoordig is er een makelaar in gevestigd, maar in Bodegraven staat het bekend als "hotel van Haaften".

Het pand staat er sinds 1871, maar op die plaats was als sinds half de 17e eeuw een herberg gevestigd. Eerst met de naam "het veerhuis", later "hotel van Haaften". Dat er op deze plaats een herberg kwam is niet zo verwonderlijk, want Bodegraven lag aan een belangrijke scheepvaartroute van Leiden naar Utrecht. Sinds 1664 passeerde er de trekschuit. Daarnaast waren er ook vele marktveerboten. Zo'n herberg fungeerde dan enerzijds als cafe waar men even wat kon drinken als men op doorreis Bodegraven passeerde, maar anderzijds kon men er ook blijven overnachten.

In 1775 was er echter een hotelgast, die wat anders reageerde dan de herbergier in eerste instantie had verwacht. Twee broers uit Amsterdam (Dirk Toornaar en Cornelis Toornaar) kwamen langs. Cornelis zou op doktersadvies een tijdje in de gezonde buitenlucht en broer Dirk vond het Veerhuis van Bodegraven wel een passende verblijfplaats. Kastelein Christoffel Meijer en zijn echtgenote hadden wel oren naar een gast voor langere tijd.

Helaas had Dirk Toornaar de kastelein niet verteld, dat Cornelis net ontslagen was uit het Leidse Ceciliagasthuis, waar hij lange tijd was verpleegd in verband met zijn "hersenloos gestel". En evenmin had hij verteld dat Cornelis nog lang niet genezen was verklaard....

Het duurde echter niet lang voordat de kastelein en zijn vrouw er achter kwamen. Al na twee dagen deed vrouw Meijer een beroep op marktschipper Dirk van Alphen om Cornelis terug te brengen naar Amsterdam. De vrouw vertelde hem "hoe schrikkelijk hij (Cornelis Toornaar) het bij hun had gemaakt en hij sinneloos en zeer quaadaardig was". De kastelein had bewakers moeten optrommelen om de man in bedwang te houden. De kasteleins klaagden dat de langsreizende passagiers niet in hun huis durfden te komen en dat hun nering dus verliep.

De waanzinnige werd uiteindelijk met behulp van een paar potige jongens de deur uitgewerkt en afgevoerd naar Leiden. De reis van Cornelis moest uiteraard ook worden betaald, de kastelein schoot het eerst voor. Helaas wilde de vader van Cornelis, een rijke Amsterdammer, de kosten van verblijf en de reis van zijn dolle zoon niet betalen; ze waren blij dat hij in Bodegraven opgeborgen was....

De kastelein en zijn vrouw moesten naar de notaris om een verklaring af te leggen om daarmee mogelijk te maken de gemaakte kosten te kunnen incasseren. Of de rekening uiteindelijk is betaald, of vandaag de dag nog steeds moet worden betaald, dat vermeld de historie niet.

[ naar de bovenkant van de pagina ]